Ondernemersinfo
Positie schuldeiser meer centraal bij faillissement
APRIL 2003 - De faillissementswet in Nederland is dringend aan herziening toe. Te vaak gaan bedrijven die in surcéance van betaling verkeren over de kop, omdat de bewindvoerder te weinig kaas heeft gegeten van ondernemen. De voorrangspositie van fiscus en uwv is uit de tijd en moet afgeschaft. Dat schrijft MKB-Nederland in een nota over de faillissementswet, die 1 april aan de pers werd gepresenteerd.Het aantal faillissementen in Nederland loopt de laatste jaren gestaag op. In 2000 waren er nog 3.600 bedrijven die het niet meer bolwerkten, de prognoses voor dit jaar liggen op zo’n 6.000. De gevolgen van een bedrijf dat over de kop gaat raken uiteraard eerstens de ondernemer en zijn personeel. Maar wat vaak wordt vergeten is dat ook toeleveranciers de dupe zijn. Nadat de fiscus en uwv hun eerste recht hebben doen gelden (preferente eisers) en ook de curator zijn deel heeft opgeëist, blijft er voor de overige schuldeisers vaak niet veel meer over. Als ook deze bedrijven daardoor in de problemen raken, ontstaat een cascade.
MKB-Nederland vindt dat de huidige faillissementswet (stammend uit 1893) niet voldoet. Er moet een modernisering komen in die zin dat de uitvoering minder juridisch en meer gericht op ondernemers wordt. Een voorbeeld is de kennis van de bewindvoerder c.q. de curator over bedrijfsvoering. Vaak is dat een jurist, met weinig economische kennis. MKB-Nederland pleit ervoor om deze te laten begeleiden door bijvoorbeeld een oud-ondernemer.
Er moet meer worden gedaan om een bedrijf dat in surcéance van betaling verkeert een mogelijke doorstart te laten maken. Nu leidt deze fase bijna altijd tot faillissement, maar dat zou anders moeten kunnen. Eventueel ontslag van werknemers bijvoorbeeld, is in deze periode net zo aan regels en langdurige procedures gebonden als in de ‘gezonde’ tijd van het bedrijf. Dit maakt het moeilijker de lasten te verlichten. De preferente rechten van de fiscus en uwv kunnen ze al in deze periode laten gelden. Dan is het einde oefening voor het bedrijf. Dat zelfde gaat op voor het geval dat de nutsbedrijven de stekker er uittrekken. Een doorleveringsplicht is hier van levensbelang.
Andersom is het belangrijk dat de schuldeisers (toeleveranciers met name) inzicht krijgen in hoe de onderneming ervoor staat. Is er nog enige kans op overleving en daarmee betaling voor geleverde diensten en goederen?
Komt het uiteindelijk toch tot een faillissement, dan zijn het wederom de belastingdienst en uitkeringsinstanties die met hun preferente rechten de bulk van wat er nog in een bedrijf aanwezig is opeisen. Voor de ‘gewone’ (concurrente) schuldeisers blijft er weinig over, zeker nadat ook de curator zijn beloning heeft opgeëist. Dit moet worden aangepast. Dit kost de staat overigens waarschijnlijk niet eens zoveel, want deze schuldeisers hebben daardoor zelf minder schulden, maken meer omzet en betalen daardoor meer belasting. Het afschaffen van het bodemrecht van de fiscus (het recht om alles wat zich in een onderneming bevindt - ook bezittingen van derden - te verkopen) is hierbij eveneens een vereiste. Het is niet van deze tijd en er is geen enkel ander Europees land dat dit kent. Meer info: mw mr. S.C.K. van Dijk (015-2191233).







