De Plantencode
AUGUSTUS 2008 - Wie zich verdiept in eten en drinken wil op een bepaald moment meer weten dan alleen bereidingen. Bijvoorbeeld de herkomst van groenten, fruit en niet te vergeten kruiden. Wat is hun oorsprong, hoe lang worden ze in onze contreien al gegeten of extracten ervan gedronken? Wat voor (medische) eigenschappen werden en worden eraan toegeschreven en ga zo maar door. Wie daar naar op zoek is moet dit boek, dat als ondertitel ‘De betekenis van kruiden, struiken en bomen in de Europese volkscultuur’ zeker als naslagwerk in zijn of haar boekenkast hebben staan.
Want waarom gooien we rijst naar pasgehuwde koppeltjes? Komen baby's uit kolen, holle bomen of bloemkelken? Wist u dat rozemarijn de kracht bezit om het geheugen te verbeteren? Om maar wat zaken te noemen die in dit boek aan de orde komen.
Viooltjes verleiden. In de negentiende eeuw stak men ze als aandenken in liefdesbrieven. Waar komt de uitdrukking `slapen als een roos' vandaan? Waarom zijn witte lelies typische Mariabloemen? Ook nu leeft het oude natuurgeloof nog na. Chrysanten op een kerkhof, een klavertjevier voor geluk, kerststronken of nieuwjaarskoeken, een geneeseik. Eeuwenoude, magische symbolen en volksgebruiken zijn zo verweven met ons dagelijks leven dat we er nauwelijks nog bij stilstaan. Dit boek zoekt naar de belangrijke rol die het plantenrijk speelde in onze volkscultuur. Het biedt een gedetailleerd en boeiend overzicht van de Europese plantensymboliek. Plantensoorten worden per familie gerangschikt. Meteen is duidelijk dat hun symboliek doorgaans niets te maken heeft met hun botanische verwantschap. Hun uiteenlopende cultuurhistorische waarde en mythologie worden telkens uitvoerig besproken. De taal van bloemen, kruiden, bomen en struiken heeft binnenkort ook voor u geen geheimen meer.
Marcel de Cleene is doctor in de plantkunde en ereprofessor aan de Universiteit Gent. AI meer dan dertigjaar heeft hij een passie voor plantensymboliek en plantlore. Hij publiceerde eerder ‘Het Compendium van Rituele Planten in Europa’ met Marie Claire Lejeune en hij baseerde dit boek op uitgebreide literatuurstudie en eigen veldonderzoek.
<B>Mensen leven nu anders dan vroeger</B>
Op enkele uitzonderingen na zijn de grote stedelijke gebieden een recente ontwikkeling in de sociale geschiedenis van Europa. De mensen leefden vroeger vooral in landelijke gebieden, niet in steden. Kruiden, struiken en bomen maakten deel uit van hun dagelijkse leven en zij gebruikten die vaak als symbool of embleem voor religieuze en wereldlijke doeleinden (eten, geneesmiddel, afweermiddel enzovoort). Dat is niet verwonderlijk als men weet hoe centraal de natuur wel stond in de voorchristelijke godsdiensten. Men geloofde ooit dat alles bezield was met goede en kwade geesten: niet alleen mensen; ook dieren, planten, bomen, water, rotsen, bergen, winden enzovoort. Men noemt dergelijke natuurgodsdienst `animisme' (anima betekent `ziel' in het Latijn). Geesten en voorouderverering zijn heel belangrijk in het animisme. De geesten moesten te vriend worden gehouden door het regelmatig brengen van offers, het houden van rituelen en het strikt volgen van allerlei taboeregels. De Germanen kenden boom- en bosgeesten (iwidies of awidies). Net zoals de Griekse boomnimfen (hamadryaden) waren die geesten in een boom geboren en stierven ze samen met de boom. Fruitbomen waren heilig omdat men hun vruchten beschouwde als geschenken van boomgeesten. Men offerde dan ook de eerste vruchten aan de fruitboom zelf om zijn boomgeest te danken en tevreden te stellen, in de hoop dat die het volgende jaar voor een goede oogst zou zorgen. Dit is het aloude principe van Do ut des (Latijn voor: `Ik geef opdat jij zou geven').Het is bekend dat men in Europa bomen aanbad, evenals rotsen, kruiswegen en bronnen, en er bloemen offerde en vuren aanstak. Germanen, Kelten, Galliërs, Letten, Litouwers en Slaven situeerden hun heilige plaatsen ofwel in het woud, ofwel bij alleenstaande bomen, bronnen en stenen. Ze beschouwden deze bomen niet alleen als een verblijfplaats van demonen en goden, maar ook als de verbinding van de aardse wereld met de godenwereld. Hun wortels stonden in direct contact met de onderwereld, en hun takken reikten naar de hemel en vormden zo een brug naar de goden. De verering gebeurde vaak in open plekken in het bos of binnen omheiningen van heilige heggen. De Kelten hadden trouwens éénzelfde naam voor `woud' en `heiligdom': nemeton. Zo beschreef de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus (ca. 55-120 na het begin van onze jaartelling) in zijn De Origine et situ Germanorum (ca. 98) op twee plaatsen heilige bosjes of hagen bij de Germanen. Op een andere plaats heeft Tacitus het over een eiland in de oceaan met een heilig bos waarin een heilige wagen staat, die bedekt is met een doek. Alleen een priester was het toegestaan om een dergelijke wagen te berijden. Kortom een boek dat teruggaat in de historie met een sterke invloed van de vroegere Griekse en Romeinse (geschied)schrijvers.
De Plantencode is uitgevoerd als paperback. Het boek telt 408 pagina’s (16,5x24 cm). Het is geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Het kost in de winkel € 29,95. ISBN 978 90 5826 516 6. Uitgeverij Davidsfonds (Leuven) / Fontaine (’s Graveland).






