Geboekt
Nederland in de 17e en 18e eeuw
OKTOBER 2006 - In Plaatsen van herinnering ‘Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw’ geven gerenommeerde specialisten aan de hand van veertig plaatsen -waarvan sommige ver buiten Nederland zelf liggen- een overzicht van deze boeiende en belangrijke periode uit de Nederlandse geschiedenis. Wie aan de Gouden Eeuw denkt, komt al snel op Nova Zembla, waar Nederlandse ontdekkingsreizigers de poolwinter moesten overleven, of de Slag bij Nieuwpoort uit 1600, of de Haagse Gevangenpoort, waar in 1672 de gebroeders De Witt een bloedig einde vonden. Allen staan ze in ons collectieve geheugen gegrift. Minder snel zal misschien worden gedacht aan Wall Street, de Beemster, Curaçao of de plantage Somerszorg in de binnenlanden van Suriname en het fort Amsterdam op Am bon.Toch speelden zich op al die plaatsen bekende en minder bekende zeventiende en achttiende eeuwse gebeurtenissen af , die Nederland hebben gemaakt tot wat het nu is. Gebeurtenissen die in een aantal gevallen wel blijk geven van de ondernemers- en pionierszin van ons volk, maar die tegelijkertijd de verstilde getuigen zijn van de zwartste bladzijden uit onze vaderlandse geschiedenis, Want wie weet precies waarom Suriname zo’n belangrijk bezit was voor de Hollandse Staten, die het gebied jarenlang met een vloot oorlogsschepen beschermde. Daar, stroomopwaarts, lagen de plantages die de verre Nederlanden voorzagen van koffie, rietsuiker en cacao. Met wisselend succes overigens, want echt heel rendabel zijn die exploitaties nooit geweest daar. Wel staan de nog laatste resterende ruïnes van de plantages nog altijd symbool voor de slavenarbeid in de Amerikaanse en Caraïbisch geschiedenis. Een mensonterende handel waarin de Nederlanders decennialang een hoofdrol speelden. In dit boek wordt uitgebreid stilgestaan bij de plantage-economie. We duiken even met de auteur in de geschiedenis.
In totaal zijn er in Suriname in de loop der tijd zo'n zevenhonderd plantages aangelegd. Alles in de kolonie was aan deze ene bedrijfsvorm opgehangen en het enige wat het land daar zelf voor leverde waren de grond en het klimaat. Al het andere werd van buiten -meestal uit Nederland- aangevoerd. Daar kwamen vrijwel alle benodigdheden vandaan, van bakstenen en spijkers tot en met kleding en drank, maar ook bijvoorbeeld het kapitaal en het management. De arbeid kwam onder dwang uit Afrika en zelfs de exportgewassen, met name suiker, koffie en katoen, waren ooit van elders ingevoerd. Alle opbrengsten waren uiteindelijk voor Europa bestemd.
De eerste aanleg van plantages had onder de Britten plaatsgevonden, die van 1650 tot 1667 Suriname in bezit hadden. Onder `Nederlands' gezag was vervolgens de plantagekolonie pas echt grootschalig in exploitatie genomen, met opnieuw een Britse onderbreking tijdens de Napoleontische oorlogen (1799-1802, 1804-1814). De bewoners waren echter allerminst Nederlands, want behalve de inheemsen en de circa 60.000 Afrikanen die rond 1770 als slaven de plantages en de stad Paramaribo bevolkten, bestond de vrije bevolking uit een bont allegaartje van enkele duizenden Sefardische en Asjkenazische joden, Franse hugenoten, Engelsen, Schotten, Centraal- en Zuid-Europeanen en natuurlijk Nederlanders.
De eerste plantages waren merendeels suikerplantages, aangelegd op de zandige oevers langs de bovenlopen van de Surinaamse rivieren, waar ze veiliger waren voor invallen. Met name in de tweede helft van de achttiende eeuw, toen er opeens veel krediet beschikbaar kwam en koffie zich had aangediend als de nieuwe geldmaker na suiker, werden daar in korte tijd enkele honderden nieuwe plantages aangelegd. In de negentiende eeuw kwamen daar bovendien nog vele tientallen nieuwe plantages bij in de noordwestelijke kuststreek van Coronie en Nickerie, waaronder ook veel katoenondernemingen.
De zware kleigronden van deze laaggelegen nieuwe gebieden bleken, zeker inde beginfase, bijzonder vruchtbaar te zijn. De ligging langs de rivier had bovendien als voordeel dat alle transport binnen Suriname over water kon plaatsvinden en dat het getijdenverschil gebruikt kon worden voor het aandrijven van de suikermolens. Er was echter ook één groot nadeel: door overstromingen en overvloedige neerslag in dit tropisch regenklimaat stonden de gronden een groot deel van het jaar onder water. De enige remedie daartegen was inpolderen. Iedere nieuwe plantage werd daarom als een op zichzelf staande polder drooggelegd. De grote waterwerken die hiervan het gevolg waren, zoals kilometers lange dammen (dijken) en trenzen (sloten) en de honderden sluizen vanwege het grote verval in de rivieren, werden de gezichtsbepalende punten in een landschap dat voorheen vooral met mangrovebos bedekt was geweest. Aanleg en onderhoud van dergelijke plantages waren enorm kapitaalsintensief. In Nederland kwam echter in de loop van de achttiende eeuw zo veel kapitaal beschikbaar dat het de planters soms bijna werd opgedrongen. De verwachtingen in Nederland ten aanzien van de Caribische suiker- en koffieproductie waren dan ook hooggespannen. Om een zo hoog mogelijke omzet te realiseren, werd de eenmaal ingepolderde grond maximaal beplant en uitgeteeld, wat uiteindelijk neerkwam op roofbouw.
Er speelde echter nog een belangrijke factor mee. Gedurende de gehele achttiende eeuw, en zeker in de tweede helft daarvan, moesten planters grote kosten maken vanwege de voortdurende oorlogen met groepen ontsnapte slaven, de zogenoemde marrons. Vanuit de onherbergzame binnenlanden overvielen zij vele tientallen plantages en vormden voor de achterblijvers een levend bewijs dat het soms mogelijk was aan de slavernij te ontsnappen, wat weer tot onrust (en repressie) op de plantages leidde. Het gevolg van dit alles was dat een toenemend aantal plantages zowel financieel als fysiek in verval raakte en al vrij snel gesloten werden, waarbij de slaven werden overgedaan aan een andere plantage. Al snel nam de natuur bezit van de gronden en werd de bebouwing overwoekerd door de mangroves. Vandaag is niets meer terug te vinden van het bloed, zweet en tranen die gedurende meer dan een eeuw zijn geplengd. Geen Surinamer, een enkele historicus misschien uitgezonderd, geeft enige blijk van herkenning bij het horen van namen als Somerszorg of Hooiland. Indertijd de bekendste of, zo men wil, beruchtste grote plantages van Suriname. Niemand die zich ook maar afvraagt of hij of zij niet een afstammeling is van een van de 65 slaven die bij de verkoop van Somerszorg in 1856 nog over waren en doorverkocht werden. Niets dan wat omgevingsvreemde vegetatie in het mangrovebos en de sporadische achttiende- of negentiende-eeuwse lege drankfles die overal in deze streken kan worden aangetroffen, herinnert eraan dat hier een eeuw lang geschiedenis werd geschreven. Nou ja, geschreven zo merkt de auteur van dit boek op, ‘de plantagebazen lieten louter een boekhouding achter en de zwarte bewoners was het altijd verboden geweest te lezen en schrijven. Omdat de top angstvallig zweeg heeft dit deel van het Nederlands verleden nauwelijks een plaats gekregen in onze eigen historie en dus in het historisch bewustzijn van onze samenleving. In dit boek herleeft dit deel van de geschiedenis echter terdege, waarbij veel zaken uit de doeken worden gedaan. Onder meer de soms grappige namen en bijnamen van de nakomelingen van Afrikanen die ooit onder dwang als slaven naar de Nederlandse West-Indische koloniën werden getransporteerd. Alléén het hoofdstuk over de plantage-economie is de moeite van het aanschaffen van dit boek al meer dan waard.
Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw is het derde deel in een vierdelige reeks ‘Plaatsen van herinnering’ en is samengesteld en geredigeerd door Maarten Prak, hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Zijn laatste boek, ‘Gouden Eeuw. Het raadsel van de Republiek’, verscheen in 2001.
‘Nederland in de 17e en 18e eeuw’ is gebonden uitgevoerd met stofomslag en leeslint. Het telt 528 pagina’s (15x23 cm). Het bevat een aantal zwart-wit en kleurenafbeeldingen. Winkelprijs € 34,95. ISBN 90 512 2990-3. Uitgeverij Bert Bakker (Amsterdam).









